In Zwammerdam is rivierklei de bepalende factor onder elke vierkante meter die wij aanpakken. Zwammerdam ligt op de smalle oeverwal van de Oude Rijn, met zavelige rivierklei bovenop en veen daaronder; niet voor niets bouwden de Romeinen hier hun castellum. Vlak achter het lint kantelt het profiel naar veenweide, waardoor grondwerk binnen een enkel perceel van draagkrachtige klei naar slappe veenbodem kan omslaan; vooraf sonderen voorkomt hier verrassingen.
Een landhoofd krijgt naast verticale belasting ook horizontale gronddruk uit de kleiaanvulling, wat de dikte en de verankering van de constructie bepaalt. Zettende grond naast een paal gaat aan die paal hangen; deze negatieve kleef telt op bij de belasting en wordt in het paalontwerp meegenomen. Bouwen in of over een watergang vraagt afstemming met het waterschap, omdat het doorstroomprofiel en het onderhoud vanaf de kant er beide door geraakt worden. De doorvaarthoogte wordt gemeten vanaf het polderpeil dat het waterschap vaststelt, niet vanaf de waterstand op de dag van inmeten. De fundering van een landhoofd komt onder de vorstgrens te liggen, omdat klei vorstgevoelig is en opvriezing anders de aansluiting op het brugdek verstoort. De glijcirkel van het talud naast de watergang is bij een landhoofd op klei vaak maatgevender dan de draagkracht recht onder de fundering.
Daar komt de waterstand bij. Zwammerdam ligt aan de Oude Rijn en wordt omringd door laaggelegen polders zoals polder Steekt, die van oudsher met molens als De Dikke Molen en de Steektermolen op de rivier werden bemalen. De overgang van dek naar oever is de plek waar het hoogteverschil zichtbaar wordt: het dek ligt op fundering stil terwijl de natte, slappe oever eromheen doorzakt. Landhoofden en pijlers versmallen het doorstroomprofiel van een watergang, waardoor het waterschap een brug toetst op de hoeveelheid water die er nog langs kan.