Wie in Utrecht de schop in de grond zet, komt vooral opgehoogde stedelijke grond tegen. De binnenstad ligt op de zandige stroomrug van de (Kromme) Rijn met daarbovenop meters antropogeen ophoogpakket vol puin, waardoor graafwerk regelmatig op oude funderingen en archeologie stuit. Buiten die stroomrug — Overvecht, Kanaleneiland — zit slap veen en klei onder het ophoogzand, met blijvende zetting van tuinen, bestrating en riolering tot gevolg.
Voor het planten van een boom zetten wij het gat eerst vol water en meten hoe snel het wegloopt; die eenvoudige proef laat zien of de laag eronder water doorlaat. Een plantgat in een slecht doorlatende laag werkt als een bak zonder afvoer; het gat moet worden doorgestoken tot in doorlatend materiaal, anders staat de kluit na elke bui onder water. Voor een haag graven wij een doorlopende plantsleuf in plaats van losse gaten, omdat de bodemopbouw per meter verschilt en losse gaten een ongelijk groeibeeld over de haaglengte geven. Een schrale, kalkrijke en snel opdrogende toplaag is niet voor elke plant ongunstig: droogte- en kalkverdragende vaste planten doen het er beter dan soorten die om een vochtige, humusrijke bodem vragen.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. Grachten, singel, Kromme Rijn, Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal doorsnijden de stad, terwijl het grondwater op de stroomrug dieper staat dan in de omliggende polderwijken. Najaarsplanting benut de nog warme bodem en de stijgende grondwaterstand, waardoor de beworteling op gang komt voordat de eerste droge periode aanbreekt. Soorten met een uitgesproken voorkeur voor permanent nat of juist voor extreem droog doen het hier zelden goed, omdat de standplaats het grootste deel van het jaar gematigd blijft.