Elke opdracht in Utrecht start met de vraag wat opgehoogde stedelijke grond op dit perceel toelaat. De binnenstad ligt op de zandige stroomrug van de (Kromme) Rijn met daarbovenop meters antropogeen ophoogpakket vol puin, waardoor graafwerk regelmatig op oude funderingen en archeologie stuit. Buiten die stroomrug — Overvecht, Kanaleneiland — zit slap veen en klei onder het ophoogzand, met blijvende zetting van tuinen, bestrating en riolering tot gevolg.
Op de aansluiting met een bestaande kade of een oudere beschoeiing ontstaat door verschil in fundering een zwakke plek; een overlappende aansluiting voorkomt dat daar grond doorspoelt. De trekkracht van een ankerstang hangt af van de laag waarin het anker terechtkomt, en in een heterogeen pakket is die laag niet vanzelfsprekend aanwezig; de ankerlengte volgt dus uit de aangetroffen opbouw. Een opgehoogde oeverstrook waar geparkeerd of gereden wordt legt bovenbelasting op de constructie; die belasting hoort in de berekening, anders is de wand alleen op grondkerende hoogte gedimensioneerd. Intrillen verdicht los gepakt ophoogzand in de omgeving, waardoor nabijgelegen verharding kan zakken; in dicht bebouwde delen van Oost kiezen wij daarom voor drukken of meten wij de trillingen.
Daar komt de waterstand bij. Grachten, singel, Kromme Rijn, Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal doorsnijden de stad, terwijl het grondwater op de stroomrug dieper staat dan in de omliggende polderwijken. Achter een grondkerende wand kan zich na een bui water opzetten dat er niet vanzelf uitkomt; een drainagelaag van grind met filterdoek en openingen in de wand voeren dat af. Ankers vinden in vochtige, samenhangende grond meer houvast dan in verzadigde slappe lagen, mits het ankerlichaam achter het glijvlak van de wand blijft.