Onder Utrecht ligt hoofdzakelijk opgehoogde stedelijke grond; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. De binnenstad ligt op de zandige stroomrug van de (Kromme) Rijn met daarbovenop meters antropogeen ophoogpakket vol puin, waardoor graafwerk regelmatig op oude funderingen en archeologie stuit. Buiten die stroomrug — Overvecht, Kanaleneiland — zit slap veen en klei onder het ophoogzand, met blijvende zetting van tuinen, bestrating en riolering tot gevolg.
Tussen een nieuwe zandaanvulling en een onderliggende puinlaag brengen wij scheidingsdoek aan, anders verdwijnt het fijne zand geleidelijk in het grove materiaal en verliest de aanvulling dikte. Historisch ophoogmateriaal in de oudere delen van Utrecht kan sintels, koolas of asbesthoudend sloopafval bevatten; het vooronderzoek naar het vroegere gebruik bepaalt of er voor het graven aanvullend bodemonderzoek nodig is. Een sondering in puinhoudend ophoogmateriaal geeft grillige pieken die weinig zeggen over de werkelijke draagkracht; handboringen op meerdere punten leveren een betrouwbaarder beeld van de laagopbouw op. In het cunet komen op deze bodem regelmatig funderingsresten, kelderwanden of oude klinkerlagen tevoorschijn; die worden weggehaald tot onder het nieuwe zandbed, anders tekenen de restanten zich af in de verharding. Aanvullen gebeurt in lagen van beperkte dikte met een trilplaat of wals per laag, omdat een in een keer gestort zandpak onderin los blijft en pas jaren later inzakt.
Naast de bodem telt het water mee. Grachten, singel, Kromme Rijn, Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal doorsnijden de stad, terwijl het grondwater op de stroomrug dieper staat dan in de omliggende polderwijken. Boven een storende leem- of kleilaag kan zich een schijngrondwaterspiegel vormen, waardoor het water in een sleuf hoger staat dan de werkelijke grondwaterstand eronder. Het uitvoeringsseizoen weegt hier zwaarder dan de techniek: hetzelfde grondwerk verloopt in een droge periode sneller en met minder structuurschade dan na een week regen. Een cunet mag hier dieper worden aangelegd dan op percelen met water vlak onder het maaiveld, wat ruimte geeft voor een volwaardige funderingsopbouw onder een oprit.