Het werk in Schiedam begint bij de bodem, en die is hier overwegend opgehoogde stedelijke grond. De ondergrond bestaat uit Duinkerke-klei op Hollandveen, waardoor de oude binnenstad al sinds de zestiende eeuw op houten palen staat die alleen onder de grondwaterspiegel gezond blijven. Ontwater bij grondwerk in het centrum daarom niet dieper of langer dan strikt nodig, en houd in de naoorlogse wijken rekening met natrekkende zetting van het ophoogzand onder verharding.
De teeltlaag boven een ophoogpakket is doorgaans dun en steenrijk; een tuin die het zonder permanente beregening moet redden vraagt een dikkere doorwortelbare laag met voldoende organische stof. Een tuinhuis of overkapping funderen wij hier alleen op staal wanneer de draagkracht is aangetoond; bij twijfel dragen palen de belasting af tot onder het aangebrachte pakket. Een dichtgereden laag in het pakket houdt regenwater vast terwijl de grond erboven juist snel uitdroogt; het doorbreken van die laag werkt op zulke plekken beter dan drainage aanleggen. In historische kernen bestaat het ophoogpakket zelf uit eeuwenoude bewoningslagen; de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Schiedam bepaalt dan vanaf welke diepte en oppervlakte onderzoek verplicht is.
Naast de bodem telt het water mee. Schiedam is opgebouwd rond de Schie met de historische havens Lange Haven, Korte Haven en Nieuwe Haven, terwijl het noordelijke polderland bij Kethel via sloten en gemalen afwatert. Hemelwater van het dak kan hier meestal op eigen terrein infiltreren, mits er tussen de bodem van de voorziening en de hoogste grondwaterstand voldoende onverzadigde grond overblijft. Beregening is hier geen vanzelfsprekendheid, al zakt het grondwater in een droge zomer buiten het bereik van jonge wortels; een watertappunt bij de aanleg meenemen scheelt later opnieuw openbreken. Lage plekken vullen zich in het winterhalfjaar als eerste; die plekken in kaart brengen voor de aanleg levert meer op dan ze naderhand ophogen.