Het werk in Schiedam begint bij de bodem, en die is hier overwegend opgehoogde stedelijke grond. De ondergrond bestaat uit Duinkerke-klei op Hollandveen, waardoor de oude binnenstad al sinds de zestiende eeuw op houten palen staat die alleen onder de grondwaterspiegel gezond blijven. Ontwater bij grondwerk in het centrum daarom niet dieper of langer dan strikt nodig, en houd in de naoorlogse wijken rekening met natrekkende zetting van het ophoogzand onder verharding.
De trekkracht van een ankerstang hangt af van de laag waarin het anker terechtkomt, en in een heterogeen pakket is die laag niet vanzelfsprekend aanwezig; de ankerlengte volgt dus uit de aangetroffen opbouw. Een opgehoogde oeverstrook waar geparkeerd of gereden wordt legt bovenbelasting op de constructie; die belasting hoort in de berekening, anders is de wand alleen op grondkerende hoogte gedimensioneerd. Puin en oude funderingsresten in het tracé kunnen het intrillen van planken blokkeren; wij graven het tracé daarom vooraf vrij of stellen de werkwijze bij aan de hand van een proefsleuf. Achter een wand in doorlatend puin loopt grond mee met het water en ontstaat na verloop van tijd een holte; filterdoek tegen de planken en goed sluitende naden houden het materiaal op zijn plaats. Kunststof planken beschadigen wanneer ze langs scherp puin worden ingebracht; in een puinhoudende oever is staal betrouwbaarder, of houten schotten in een voorgegraven, van puin ontdane sleuf.
Naast de bodem telt het water mee. Schiedam is opgebouwd rond de Schie met de historische havens Lange Haven, Korte Haven en Nieuwe Haven, terwijl het noordelijke polderland bij Kethel via sloten en gemalen afwatert. Ankers vinden in vochtige, samenhangende grond meer houvast dan in verzadigde slappe lagen, mits het ankerlichaam achter het glijvlak van de wand blijft. Een beschoeiing keert hier vooral grond, doordat het verschil in waterstand tussen voor- en achterzijde kleiner is dan in een polder met een permanent hoog peil. Bij trillen in vochtige, niet-verzadigde grond ontstaat minder wateroverdruk dan onder de waterspiegel, waardoor de plank meer weerstand ondervindt en het inbrengen trager verloopt.