Onder Oudewater ligt hoofdzakelijk rivierklei; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. Oudewater is omstreeks 1100 ontstaan in een meander waar de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel uitkomt, waardoor de ondergrond binnen een straat kan wisselen van stevige oeverwalklei naar slappe geulopvulling. Bij grondwerk in de historische kern loont een sondering vooraf: langs de kades en de IJsseldijk kan de restzetting per perceel fors verschillen, wat vraagt om lokaal aangepaste cunetdiepte en een zorgvuldig opgebouwd zandbed.
Klei ontleent zijn weerstand vooral aan cohesie, die op lange termijn afneemt; een beschoeiing wordt daarom op de blijvende situatie gedimensioneerd en niet op de eerste stabiele maanden. Schade aan een oever op klei ontstaat vaker door afschuiving van het talud achter de constructie dan door bezwijken van de planken zelf. Een verlaging van het polderpeil vergroot het verschil tussen de waterstand in de grond en die in de watergang, wat de belasting op een bestaande oeverconstructie verhoogt. Hout blijft permanent onder water lang goed, maar de wisselzone rond de waterlijn is de plek waar het als eerste rot; de constructie wordt daarop afgestemd. Het gewicht van kraan en materieel is bij beschoeiingswerk aan een kleioever in Oudewater maatgevend; werken vanaf het water of vanaf een spreidingsvloer voorkomt schade aan de oever. Achter een beschoeiing in klei hoort een filterconstructie van geotextiel met granulaat, want klei voert het water niet af en de waterdruk komt anders volledig op de wand.
Naast de bodem telt het water mee. De stad ontstond in de bocht waar de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel uitmondt, zodat het water letterlijk door de historische kern loopt. Het verschil tussen de waterstand voor en achter een beschoeiing levert de grootste belasting op de wand, en bij een vast polderpeil aan de ene en verzadigde grond aan de andere zijde is dat verschil permanent. Het inbrengen van planken gebeurt in een natte, slappe bodem doorgaans met trillen of drukken, waarbij het poriewater tijdens het trillen kortstondig de weerstand van de grond verlaagt. Plaatsen of vervangen van een beschoeiing langs een watergang van het waterschap valt onder de waterschapsverordening, terwijl de legger vastlegt waar de waterlijn en het profiel van die watergang liggen.