Elke opdracht in Oudewater start met de vraag wat rivierklei op dit perceel toelaat. Oudewater is omstreeks 1100 ontstaan in een meander waar de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel uitkomt, waardoor de ondergrond binnen een straat kan wisselen van stevige oeverwalklei naar slappe geulopvulling. Bij grondwerk in de historische kern loont een sondering vooraf: langs de kades en de IJsseldijk kan de restzetting per perceel fors verschillen, wat vraagt om lokaal aangepaste cunetdiepte en een zorgvuldig opgebouwd zandbed.
Vrijkomende klei uit het cunet is ongeschikt als aanvulling onder verharding; die grond verdicht niet tot een stabiele laag en hoort in het plantvak of gaat van het werk af. Rivierklei is vorstgevoelig, waardoor het cunet diep genoeg moet doorlopen en met niet-vorstgevoelig ophoogzand gevuld wordt; anders komt de bestrating na een strenge winter ongelijk terug. Voor een oprit met autobelasting wordt op klei doorgaans een laag menggranulaat 0/31,5 aangebracht, in lagen van ongeveer 25 centimeter verdicht zodat de fundering niet later nazakt. Waterdoorlatende klinkers laten op rivierklei minder water door dan de steen zelf aankan, omdat de ondergrond het tempo bepaalt; een bergende funderingslaag met overloop is dan nodig.
Daar komt de waterstand bij. De stad ontstond in de bocht waar de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel uitmondt, zodat het water letterlijk door de historische kern loopt. Een zandbed dat het grootste deel van het jaar in het grondwater staat, kan geen regen meer bergen; het water blijft dan in de voegen staan in plaats van weg te zakken. Een verzadigde funderingslaag is vorstgevoeliger dan een droge: bevriezend water zet uit en tilt het straatwerk plaatselijk op, waarna de klinkers na de dooi niet meer vlak liggen.