Elke opdracht in Den Hoorn start met de vraag wat veen op klei op dit perceel toelaat. Den Hoorn ligt in het veenweidegebied van Midden-Delfland, waar een kleidek op veen ligt en zandige kreekruggen het patroon doorsnijden. Op de veenpercelen zakt het maaiveld tot ongeveer een centimeter per jaar en op de kreekruggen nauwelijks, waardoor de draagkracht binnen één perceel al kan verschillen; een dieper cunet en een zettingsvrije randopsluiting voorkomen scheefliggende bestrating.
Rijplaten verdelen de druk van een kraan over de slappe ondergrond, want zonder platen verkneedt het kleidek en verdwijnt de structuur die de bovenlaag nog had. Onder een veenpakket kan pyriethoudende klei liggen; komt die bij ontgraving in de lucht te liggen, dan kan de zuurgraad sterk dalen en is hergebruik in plantvakken ongeschikt. Kabels en leidingen in opgehoogde percelen liggen vaak dieper dan de tekening aangeeft, dus de KLIC-melding is het startpunt en het proefsleufje blijft nodig. Ontgraven veen bestaat grotendeels uit water en klinkt in het depot in, waardoor het afgevoerde volume lager uitvalt dan het aantal ontgraven kuub. Een schuur op staal gefundeerd zakt mee met de tuin, terwijl een schuur op palen blijft staan; die keuze bepaalt hoe de aansluitingen er over tien jaar bijliggen.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. Het dorp is ontstaan op het punt waar de Lookwatering en de Kastanjewetering samenkomen en wordt doorsneden door de Gaag, die van Delft richting Schipluiden loopt. Kwelwater in deze polders is vaak ijzerrijk en slaat als roodbruine aanslag neer in drains, filters en pompen, wat bij het ontwerp van een ontwateringssysteem meetelt. Natte grond weegt fors meer dan dezelfde grond in droge toestand, wat het aantal transportbewegingen vergroot bij afvoer van vrijkomende grond onder het Besluit bodemkwaliteit.