Onder Delft ligt hoofdzakelijk opgehoogde stedelijke grond; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. De Delftse ondergrond is grillig door oude stroomgeulen: draagkrachtige zandlagen liggen op sterk wisselende diepte, met samendrukbare klei- en veenlagen daarboven. De gemeente verlangt daarom grondmechanisch onderzoek en rekent met negatieve kleef over vrijwel de hele paalschacht, dus een aanbouw of zware terrasconstructie naast een bestaand pand op palen mag je hier nooit zomaar op staal funderen.
Een sondering in puinhoudend ophoogmateriaal geeft grillige pieken die weinig zeggen over de werkelijke draagkracht; handboringen op meerdere punten leveren een betrouwbaarder beeld van de laagopbouw op. Een gedempte sloot onder het ophoogpakket blijft jarenlang een slappe strook, en juist op de overgang van vaste grond naar demping loopt het maaiveld ongelijk weg. Zand dat bij de ontgraving vrijkomt is vaak op het eigen terrein herbruikbaar als aanvulling; dat scheelt transportbewegingen en houdt de grondbalans van het werk gesloten, mits de kwaliteit dat toelaat. Aanvullen gebeurt in lagen van beperkte dikte met een trilplaat of wals per laag, omdat een in een keer gestort zandpak onderin los blijft en pas jaren later inzakt. Grond met meer dan twintig volumeprocent bodemvreemd materiaal telt niet langer als grond, en dat bepaalt onder het Besluit bodemkwaliteit of vrijkomend ophoogmateriaal herbruikbaar is of als bouwstof moet worden afgevoerd.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Delft is ontstaan langs de gegraven Delf, een verlenging van de Schie, en het water loopt nog altijd via de binnenstadsgrachten Oude Delft en Nieuwe Delft en de omliggende bemalen polders. Het uitvoeringsseizoen weegt hier zwaarder dan de techniek: hetzelfde grondwerk verloopt in een droge periode sneller en met minder structuurschade dan na een week regen. Verdichten lukt het best bij een vochtgehalte rond het optimum: te droog materiaal blijft los liggen, terwijl te nat materiaal zich niet laat verdichten doordat het water de korrels uit elkaar houdt. De gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand liggen hier ver uit elkaar, waardoor een sleuf die in augustus droog blijft in februari op dezelfde plek onder water staat.