Onder Den Hoorn ligt hoofdzakelijk veen op klei; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. Den Hoorn ligt in het veenweidegebied van Midden-Delfland, waar een kleidek op veen ligt en zandige kreekruggen het patroon doorsnijden. Op de veenpercelen zakt het maaiveld tot ongeveer een centimeter per jaar en op de kreekruggen nauwelijks, waardoor de draagkracht binnen één perceel al kan verschillen; een dieper cunet en een zettingsvrije randopsluiting voorkomen scheefliggende bestrating.
De horizontale gronddruk van een opgehoogde oprit duwt tegen het landhoofd, en die druk telt zwaarder mee naarmate het veenpakket dikker is. Een brug over een watergang bij de Gaag vraagt toestemming van de waterbeheerder, omdat een constructie in het profiel de doorstroming en de berging beïnvloedt. De aansluiting tussen een paalgefundeerd landhoofd en het zakkende pad is de plek waar verschilzetting zichtbaar wordt, dus een losgelegde overgangsstrook is daar makkelijker bij te stellen. Hout in een brugdek staat bovenop bloot aan regen en zon en aan de onderzijde aan opstijgend vocht, waardoor de duurzaamheidsklasse van de houtsoort het onderhoudsritme bepaalt.
Naast de bodem telt het water mee. Het dorp is ontstaan op het punt waar de Lookwatering en de Kastanjewetering samenkomen en wordt doorsneden door de Gaag, die van Delft richting Schipluiden loopt. Een vlonderpad over een natte strook vraagt palen die door de weke laag heen tot in een dragende laag reiken; blijft de paal in de slappe grond steken, dan zakt het pad ongelijk weg. Een lichte, gesloten constructie of een leeg buiselement in verzadigde grond kan opdrijven, waardoor het eigen gewicht of een verankering de opwaartse waterdruk moet overtreffen. Een houten paal blijft goed zolang hij volledig onder de laagste grondwaterstand staat; het deel dat bij een lage stand droogvalt, wordt door schimmels aangetast.