Onder Den Hoorn ligt hoofdzakelijk veen op klei; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. Den Hoorn ligt in het veenweidegebied van Midden-Delfland, waar een kleidek op veen ligt en zandige kreekruggen het patroon doorsnijden. Op de veenpercelen zakt het maaiveld tot ongeveer een centimeter per jaar en op de kreekruggen nauwelijks, waardoor de draagkracht binnen één perceel al kan verschillen; een dieper cunet en een zettingsvrije randopsluiting voorkomen scheefliggende bestrating.
De overgang van talud naar tuin verdient een lichte knik in plaats van een scherpe kant, omdat een scherpe rand in veen na één winter al afkalft. De plas-draszone ligt net onder het gemiddelde waterpeil, zodat riet, gele lis en zwanenbloem er wortelen zonder in drogere perioden droog te vallen. Vraat door ganzen en muskusratten tast een jonge rietzone aan, waardoor tijdelijke afrastering de aanplant het eerste seizoen de ruimte geeft om zich te vestigen. Ontgraven onder water in Midden-Delfland is bij de waterbeheerder meldings- of vergunningplichtig, doordat het natte profiel van de watergang en de bergingscapaciteit van de polder erdoor wijzigen.
Naast de bodem telt het water mee. Het dorp is ontstaan op het punt waar de Lookwatering en de Kastanjewetering samenkomen en wordt doorsneden door de Gaag, die van Delft richting Schipluiden loopt. Een vast gehouden polderpeil maakt de plas-draszone smal en goed voorspelbaar, waardoor de strook waarin oeverplanten kunnen staan zich beperkt tot enkele decimeters rond de waterlijn. Een natuurvriendelijke oever met een flauw talud vraagt breedte: het profiel loopt onder water door, zodat zo'n oever meer perceelruimte kost dan een verticale beschoeiing. Afkalving begint doorgaans op de plek waar de grasmat het water raakt: de zode wordt daar ondergraven en het overhangende deel zakt later in het water.