Wie in Waddinxveen de schop in de grond zet, komt vooral veengrond tegen. De ondergrond van Waddinxveen bestaat uit slap veen dat blijvend inklinkt; rond woningen van een halve eeuw oud is het maaiveld hier plaatselijk al tientallen centimeters gezakt. Verharding vraagt daarom een royaal zandcunet met geotextiel en bij aanbouw of zware constructies fundering op palen, zodat het bouwwerk niet met de tuin mee omlaag zakt.
Palen door een zettend veenpakket krijgen te maken met negatieve kleef: de zakkende grond hangt aan de paal en voegt belasting toe in plaats van draagkracht te leveren. De waterbeheerder houdt in veenpolders vast aan de bereikbaarheid van de watergang voor onderhoud, waardoor een brug of vlonder de doorgang voor de maaiboot en het bergend profiel niet mag beperken. De diepte van de draagkrachtige zandlaag onder het veen verschilt per polder, en een sondering ter plaatse in Waddinxveen geeft de paallengte die op die locatie werkelijk nodig is. Een duiker met een grondaanvulling erboven brengt op veen aanzienlijk meer gewicht in het profiel dan een brugdek op palen, waardoor de watergang ter plaatse geleidelijk kan wegzakken.
Daar komt de waterstand bij. De Gouwe vormt hier de boezem waarop de omliggende polders uitmalen; in de Zuidplaspolder ten zuiden van het dorp werd ooit het laagste polderpeil ter wereld gemeten, 7,10 meter onder NAP. De overgang van dek naar oever is de plek waar het hoogteverschil zichtbaar wordt: het dek ligt op fundering stil terwijl de natte, slappe oever eromheen doorzakt. De onderkant van een brugdek wordt afgestemd op de hoogste waterstand die in de watergang kan voorkomen, plus de doorvaarthoogte die het waterschap of de vaarwegbeheerder verlangt.