De ondergrond in Reeuwijk bestaat overwegend uit veengrond, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. Reeuwijk ligt midden in een veengebied dat door eeuwen turfwinning is uitgeveend; het achtergebleven restveen is nat, slap en heeft een zeer lage draagkracht. Terrassen en opritten vragen ophoging met zand en een zettingsarme opbouw, en bij percelen direct aan de plassen loont het om zwaardere elementen op palen of een lastenverdelende plaat te zetten.
Verbindingen in een houten brugdek staan boven water bloot aan wisselende vochtigheid; roestvast bevestigingsmateriaal en een detaillering waar het water uit kan lopen, beperken de aantasting rond de bouten. Palen door een zettend veenpakket krijgen te maken met negatieve kleef: de zakkende grond hangt aan de paal en voegt belasting toe in plaats van draagkracht te leveren. De diepte van de draagkrachtige zandlaag onder het veen verschilt per polder, en een sondering ter plaatse in Reeuwijk geeft de paallengte die op die locatie werkelijk nodig is. Het talud naar een brughoofd wordt op veen bij voorkeur met licht ophoogmateriaal opgebouwd, zodat de aanaarding de oever niet extra belast en het landhoofd niet zijdelings wordt weggedrukt. De waterbeheerder houdt in veenpolders vast aan de bereikbaarheid van de watergang voor onderhoud, waardoor een brug of vlonder de doorgang voor de maaiboot en het bergend profiel niet mag beperken. Controle of het brugdek nog waterpas ligt en of de aansluitingen zijn meegezakt, is op veen een terugkerend onderdeel van het onderhoud in plaats van een eenmalige oplevercheck.
Naast de bodem telt het water mee. Het dorp grenst direct aan de dertien Reeuwijkse Plassen en wordt doorsneden door de Breevaart, waardoor de grondwaterstand hoog is en veel percelen rechtstreeks aan open water liggen. Een vlonderpad over een natte strook vraagt palen die door de weke laag heen tot in een dragende laag reiken; blijft de paal in de slappe grond steken, dan zakt het pad ongelijk weg. De onderkant van een brugdek wordt afgestemd op de hoogste waterstand die in de watergang kan voorkomen, plus de doorvaarthoogte die het waterschap of de vaarwegbeheerder verlangt. De fundering van een landhoofd komt bij deze standen vrijwel altijd onder de waterlijn te liggen, zodat er in den natte wordt gewerkt of tijdelijk moet worden afgedamd.