Het werk in Maarssen begint bij de bodem, en die is hier overwegend rivierklei. Onder Maarssen ligt een kalkrijk kleipakket dat door de Vecht is afgezet: zandiger op de oeverwal langs het dorp, en in de komgronden van Maarssenbroek minstens 80 cm zware klei op veen. Maarssenbroek is begin jaren 70 opgespoten met zand en vertoont nog restzetting, waardoor bestrating wegzakt langs op palen gefundeerde gevels en putranden en herstraten met extra zandbed nodig blijft.
Hout blijft permanent onder water lang goed, maar de wisselzone rond de waterlijn is de plek waar het als eerste rot; de constructie wordt daarop afgestemd. Stalen damwand in een kleiige oever krijgt over de levensduur een corrosietoeslag op de wanddikte, afhankelijk van de zone onder water, in de wisselzone en in de grond. Achter een beschoeiing in klei hoort een filterconstructie van geotextiel met granulaat, want klei voert het water niet af en de waterdruk komt anders volledig op de wand. Kleiige grond achter een wand vervormt langzaam door onder blijvende belasting, waardoor een oeverconstructie over jaren millimeters kan uitbuigen zonder dat er iets breekt. Schade aan een oever op klei ontstaat vaker door afschuiving van het talud achter de constructie dan door bezwijken van de planken zelf.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. De Vecht en het Amsterdam-Rijnkanaal doorsnijden de plaats, terwijl Maarssenbroek als bemalen polder een strak gereguleerd polderpeil heeft. Staal dat afwisselend nat en droog staat, roest sneller dan staal dat permanent onder water zit, omdat er telkens opnieuw zuurstof bij het metaal komt. Een beschoeiing keert hier vooral grond, doordat het verschil in waterstand tussen voor- en achterzijde kleiner is dan in een polder met een permanent hoog peil. Achter een grondkerende wand kan zich na een bui water opzetten dat er niet vanzelf uitkomt; een drainagelaag van grind met filterdoek en openingen in de wand voeren dat af.