Wie in Reeuwijk de schop in de grond zet, komt vooral veengrond tegen. Reeuwijk ligt midden in een veengebied dat door eeuwen turfwinning is uitgeveend; het achtergebleven restveen is nat, slap en heeft een zeer lage draagkracht. Terrassen en opritten vragen ophoging met zand en een zettingsarme opbouw, en bij percelen direct aan de plassen loont het om zwaardere elementen op palen of een lastenverdelende plaat te zetten.
Ontgraven in veen gebeurt bij voorkeur in korte vakken die dezelfde dag weer dichtgaan, omdat een open sleuf onder de grondwaterstand volloopt en de wanden uit zichzelf naar binnen zakken. Materieel op rupsen met een lage gronddruk richt op veen minder schade aan dan een machine op banden, en rijplaten verdelen het resterende gewicht over een groter oppervlak. Ophogen op veen gebeurt bij voorkeur met een voorbelasting die tijdelijk zwaarder is dan de eindsituatie; het maaiveld zakt daardoor versneld en de restzetting na het verwijderen valt lager uit. De conusweerstand van veen blijft in de orde van enkele tienden van een megapascal, waardoor de ondergrond het gewicht van materieel en ophoging maar beperkt kan opnemen.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. Het dorp grenst direct aan de dertien Reeuwijkse Plassen en wordt doorsneden door de Breevaart, waardoor de grondwaterstand hoog is en veel percelen rechtstreeks aan open water liggen. Een diepe ontgraving boven een watervoerend zandpakket kan van onderaf opbarsten zodra de waterdruk onder de afsluitende laag groter wordt dan het gewicht van de resterende grond erboven. De drooglegging, het hoogteverschil tussen maaiveld en het peil in de naastgelegen watergang, bepaalt hoeveel ruimte er onder het maaiveld overblijft voor cunet, leidingen en drainage.