Elke opdracht in Leidschendam start met de vraag wat veen op klei op dit perceel toelaat. Buiten de smalle zandrug langs de Vliet bestaat de ondergrond hier uit een meters dik pakket van afwisselend klei en veen met beperkte draagkracht, ontstaan in de natte strandvlakte tussen twee strandwallen. Voor terrassen, opritten en tuinpaden betekent dat een ruim cunet van 40 tot 60 centimeter met stabilisatiedoek, gefaseerd verdichten en rekening houden met enkele centimeters restzetting in de eerste jaren.
Een kluit die in een natte periode in een dichtgesmeerd plantgat gaat, groeit slecht door de gladde wand heen, dus ruw de wand op voordat de kluit erin zakt. Een plantgat dat in het kleidek met rijke tuinaarde wordt gevuld, werkt als een emmer zonder gat: het water blijft erin staan en de wortels verstikken. Bomen op veen wortelen ondiep omdat de grondwaterstand hoog staat, waardoor de kluit klein blijft en de windvang van een uitgegroeide kroon een reëel risico wordt. Een boom in verharding heeft doorwortelbare ruimte nodig die het gewicht erboven draagt; bomenzand of boomgranulaat vult die rol, maar voegt zelf ook belasting toe aan het veen. Wortelopdruk werkt hier anders dan op zand, doordat de boom met het maaiveld meezakt terwijl de dikke wortels vlak onder de oppervlakte naar lucht blijven zoeken.
Daar komt de waterstand bij. Leidschendam ligt precies op de waterscheiding tussen Rijnland en Delfland: de dam en later de sluis in de Vliet regelden eeuwenlang het peilverschil, met daarachter de diepe Stompwijkse polders en de Nieuwe Driemanspolder. Waar zoute of brakke kwel omhoog komt, blijft het zoutgehalte in de wortelzone hoog en houden vooral soorten uit een brak milieu stand; een bodemanalyse maakt dat vooraf zichtbaar. Op permanent natte standplaatsen krijgen bodemschimmels die wortels aantasten vrij spel; het gewas verkleurt bovengronds terwijl de oorzaak ondergronds bij een verrotte wortelhals ligt.