Elke opdracht in Hazerswoude-Dorp start met de vraag wat veen op klei op dit perceel toelaat. Onder de bouwvoor ligt hier een veenpakket op oude zeeklei: de draagkracht is laag en elke ophoging leidt jarenlang tot naijlende zetting. Reken daarom op een ruim zandcunet met geotextiel onder verhardingen, voorbelasting of lichte ophoogmaterialen, en bij zwaardere constructies een fundering op palen tot de diepere zandlaag.
Het kleidek is de stevigste laag in het talud, en wordt die weggegraven dan ligt het veen bloot en kan het onder water gaan opdrijven. Het peilbeheer bepaalt hoe breed de plas-draszone werkelijk wordt: bij een vast peil blijft die zone smal en voorspelbaar, bij fluctuatie loopt hij verder de oever op. Beplanting op een veentalud wortelt in de bovenste decimeters, waardoor zij de toplaag vastlegt maar de stabiliteit van het talud als geheel niet verzorgt. Ontgraven onder water in Alphen aan den Rijn is bij de waterbeheerder meldings- of vergunningplichtig, doordat het natte profiel van de watergang en de bergingscapaciteit van de polder erdoor wijzigen.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. Het dorp ligt tussen veenweidepolders zoals de Rietveldse polder en de in de 18e eeuw drooggelegde Hazerswoudsche Droogmakerij, met een dicht slotenpatroon en per peilvak sterk verschillende polderpeilen. Golfslag en de zuiging van vaarverkeer halen grond weg in een smalle strook vlak boven en onder de waterlijn, en juist daar begint de afkalving. Afkalving begint doorgaans op de plek waar de grasmat het water raakt: de zode wordt daar ondergraven en het overhangende deel zakt later in het water.