In Harmelen is rivierklei de bepalende factor onder elke vierkante meter die wij aanpakken. De dorpskern ligt op de zandige oeverwal van de Oude Rijn, die duidelijk meer draagkracht heeft dan de veenweidepolders Gerverscop, Breudijk en Haanwijk er direct omheen. Op die stroomrug volstaat meestal een cunet van 40 tot 50 cm met een goed verdicht zandbed, maar zodra u de oeverwal verlaat en het komgebied in gaat neemt de zettingsgevoeligheid sterk toe en is voorbelasten of een lichte fundering op geotextiel verstandig.
Voor een oprit met autobelasting wordt op klei doorgaans een laag menggranulaat 0/31,5 aangebracht, in lagen van ongeveer 25 centimeter verdicht zodat de fundering niet later nazakt. Bomen op klei wortelen ondiep omdat de diepere lagen te weinig lucht bevatten, wat vlak onder de bestrating tot wortelopdruk leidt; bomenzand of een wortelgeleider houdt het vlak. Vrijkomende klei uit het cunet is ongeschikt als aanvulling onder verharding; die grond verdicht niet tot een stabiele laag en hoort in het plantvak of gaat van het werk af. Rivierklei is vorstgevoelig, waardoor het cunet diep genoeg moet doorlopen en met niet-vorstgevoelig ophoogzand gevuld wordt; anders komt de bestrating na een strenge winter ongelijk terug.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. Bij de middeleeuwse kerk in de oude kern komen de Bijleveld en de Leidse Rijn samen tot de Oude Rijn, terwijl de omliggende polders Gerverscop, Breudijk, Oudeland, Haanwijk en Harmelerwaard elk hun eigen peil kennen. Een oprit die in de winter merkbaar zachter aanvoelt, staat met zijn fundering in opgezet grondwater; dieper ontgraven en een dikkere funderingslaag helpen waar de belasting hoog is. Een fundering die afwisselend nat en droog is, loopt meer kans op vorstschade dan een die permanent droog blijft; een goed doorlatend zandbed met weinig fijn materiaal beperkt dat risico.