Elke opdracht in Kamerik start met de vraag wat veengrond op dit perceel toelaat. Kamerik is een veenontginning uit de tiende eeuw: onder de graszode zit meters slap veen dat na elke ophoging jarenlang blijft naklinken. Voor opritten en terrassen betekent dat een ruim cunet met geotextiel en gestabiliseerd zand, of een lichte ophoging met schuimglas of EPS, en de nuchtere verwachting dat herstraten na vijf tot tien jaar bij dit bodemtype gewoon bij het onderhoud hoort.
Waar de zakking beperkt moet blijven, vervangt een lichtgewicht funderingsmateriaal zoals schuimbeton een deel van het ophoogzand, zodat de belasting op het veenpakket afneemt in plaats van toeneemt. De hoge grondwaterstand in de veenpolders rond Kamerik laat weinig ruimte onder de bestrating, zodat het cunet ondiep blijft en het water via afschot naar berm of watergang moet weglopen. Een pakket ophoogzand van dertig centimeter brengt al snel vierhonderd tot vijfhonderd kilo per vierkante meter op het veen, en die belasting blijft aanwezig zolang de verharding blijft liggen. Zonder scheidingsdoek werkt het zand zich onder verkeersbelasting geleidelijk in het veen en het veen in het zand; de fundering verliest daardoor dikte en de verharding zakt met het jaar verder weg. Een pad dat evenwijdig aan een sloot ligt, zakt aan de waterzijde sneller weg doordat de veenlaag daar minder zijdelingse steun heeft en de oever langzaam naar het water toe kruipt.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. De acht kilometer lange Kamerikse Wetering doorsnijdt het dorpsgebied van noord naar zuid en vormt samen met een dicht net van weteringen en sloten de ontwatering van dit veengebied. Een zandbed dat het grootste deel van het jaar in het grondwater staat, kan geen regen meer bergen; het water blijft dan in de voegen staan in plaats van weg te zakken. Een forse uitbreiding van het verharde oppervlak kan in dit peilgebied compenserende waterberging vragen, omdat regen die eerst in de bodem zakte nu versneld naar de sloot stroomt.