In Breukelen is rivierklei de bepalende factor onder elke vierkante meter die wij aanpakken. De kern ligt op de zandige klei-oeverwal van de Vecht, die relatief draagkrachtig is; direct achter het lint gaat die over in komklei en veen van de Breukelerwaard en de omringende polders. Eén perceel kan daardoor twee bodems hebben — vaste klei bij de weg, zettingsgevoelig veen achterin — wat cunetdiepte en funderingskeuze per zone bepaalt.
Klei is erosiebestendiger dan zand, maar het deel boven de waterlijn scheurt in een droge zomer open en spoelt bij de eerste stortbui in brokken weg als het kaal ligt. Een flauwer talud brengt de waterlijn dichter bij het land, waardoor de drooglegging van het aangrenzende perceel opnieuw bekeken wordt voordat er grond wordt weggehaald. De breedte van de plas-draszone volgt uit de peilfluctuatie in de polder rond Breukelen; bij een strak gereguleerd peil is die zone smal en ligt het talud daar heel nauwkeurig. Een nieuw kleitalud wordt laagsgewijs opgebouwd en niet in één keer gestort; losse klei zakt ongelijk en glijdt bij hoogwater deels de sloot weer in. Het doorstroomprofiel van de watergang en de bereikbaarheid voor schouw en onderhoud blijven bij een nieuw oevertalud leidend, omdat het waterschap daarop toetst. In de natte zone van een voedselrijke kleioever horen soorten als gele lis, kattenstaart en zwanenbloem thuis; die vestigen zich hier zonder grondverbetering.
Daar komt de waterstand bij. De Vecht is hier boezemwater met een vast peil, terwijl de polders erachter en het plassengebied bij Scheendijk en de Kievitsbuurt een duidelijk lager polderpeil hebben. Boezemwater kent een grotere peilvariatie dan een polder achter een gemaal, waardoor de oeverzone daar breder wordt uitgevoerd dan langs een sloot met een strak gereguleerd peil. De schouw van het waterschap toetst of de watergang op de voorgeschreven diepte en breedte is; een oever die naar binnen is gezakt, komt daarbij als achterstallig onderhoud naar voren.