Het werk in Kamerik begint bij de bodem, en die is hier overwegend veengrond. Kamerik is een veenontginning uit de tiende eeuw: onder de graszode zit meters slap veen dat na elke ophoging jarenlang blijft naklinken. Voor opritten en terrassen betekent dat een ruim cunet met geotextiel en gestabiliseerd zand, of een lichte ophoging met schuimglas of EPS, en de nuchtere verwachting dat herstraten na vijf tot tien jaar bij dit bodemtype gewoon bij het onderhoud hoort.
Mensen en honden die telkens op dezelfde plek de kant op en af gaan, slijten in een veentalud snel een geul; een aangewezen instap of een vlonder houdt de rest van de oever intact. Een plasberm die te diep wordt aangelegd, komt in de weke ondergrond terecht waar oeverplanten geen houvast vinden, zodat de diepte wordt afgestemd op de beoogde waterstand en niet dieper. Een natuurvriendelijke oever op veen ontwikkelt zich richting moerasvegetatie met riet, zegge en lisdodde; die soorten vestigen zich grotendeels vanzelf zodra de plas-draszone op de juiste diepte ligt. De plas-draszone wordt uitgezet ten opzichte van het vastgestelde polderpeil, en doordat dat peil in de veenpolders rond Kamerik vastligt, blijft de waterdiepte in die zone jarenlang voorspelbaar.
Naast de bodem telt het water mee. De acht kilometer lange Kamerikse Wetering doorsnijdt het dorpsgebied van noord naar zuid en vormt samen met een dicht net van weteringen en sloten de ontwatering van dit veengebied. Afkalving begint doorgaans op de plek waar de grasmat het water raakt: de zode wordt daar ondergraven en het overhangende deel zakt later in het water. Watervogels, honden en vee slijten telkens dezelfde in- en uitstappunten uit, waardoor een bewust verstevigde toegang tot het water de rest van de oever spaart. Een vast gehouden polderpeil maakt de plas-draszone smal en goed voorspelbaar, waardoor de strook waarin oeverplanten kunnen staan zich beperkt tot enkele decimeters rond de waterlijn.