Het werk in Breukelen begint bij de bodem, en die is hier overwegend rivierklei. De kern ligt op de zandige klei-oeverwal van de Vecht, die relatief draagkrachtig is; direct achter het lint gaat die over in komklei en veen van de Breukelerwaard en de omringende polders. Eén perceel kan daardoor twee bodems hebben — vaste klei bij de weg, zettingsgevoelig veen achterin — wat cunetdiepte en funderingskeuze per zone bepaalt.
Een net opgehoogd terrasveld op klei zakt de eerste maanden nog na, dus wordt er met overhoogte aangelegd of eerst voorbelast voordat de stenen erin gaan. Waar bestrating aansluit op een woning op palen zakt de verharding wel mee met de klei en het huis niet; een klein afschot van de gevel af vangt dat hoogteverschil op. Onder een terras op rivierklei hoort een scheidingsdoek tussen de kleiondergrond en het zandbed; zonder dat doek werkt de fijne klei zich bij elke regenbui omhoog in de fundering. Een zandcunet in klei gedraagt zich als een badkuip: het water dat erin zakt kan nergens heen, dus hoort er een afvoer of drainageleiding naar de sloot of het riool aan vast.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. De Vecht is hier boezemwater met een vast peil, terwijl de polders erachter en het plassengebied bij Scheendijk en de Kievitsbuurt een duidelijk lager polderpeil hebben. Hemelwater van een oprit dat rechtstreeks op oppervlaktewater loost, voert olie en veegvuil mee; een zandvang of een grasberm tussen verharding en waterkant houdt dat tegen. Een terras dat op of net onder het niveau van de omgeving ligt, staat na een stevige bui plaatselijk blank; enkele centimeters extra aanleghoogte lost dat in veel gevallen al op. Een verzadigde funderingslaag is vorstgevoeliger dan een droge: bevriezend water zet uit en tilt het straatwerk plaatselijk op, waarna de klinkers na de dooi niet meer vlak liggen.