De ondergrond in Bleiswijk bestaat overwegend uit zeeklei, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. In de droogmakerij Bleiswijk, tussen 1772 en 1782 met zeven molengangen drooggemalen, ligt zware kalkrijke zeeklei in het middendeel, terwijl de bodem naar het noorden en zuiden lichter wordt door zandbijmenging en er in het zuiden veen voorkomt. Zware klei is slecht waterdoorlatend, dus bestrating vraagt hier vooral aandacht voor afschot en drainage; de draagkracht is beter dan op veen, maar een verdicht zandcunet blijft nodig.
Schroefpalen ontlenen hun draagvermogen aan het blad in een vastere laag en niet aan de slappe toplaag, wat ze onder vlonders op klei een voorspelbaar alternatief maakt voor poeren. Een damwandscherm kan als landhoofd dienen en tegelijk de oever keren; het profiel wordt dan op zowel verticale belasting als moment berekend en valt zwaarder uit dan bij een gewone beschoeiing. De doorvaarthoogte wordt gerekend vanaf het polderpeil uit het peilbesluit en niet vanaf de waterstand op de dag van inmeten, die door maalwerk of neerslag afwijkt. Een brug over een poldersloot in Bleiswijk kruist regelmatig leidingen die als zinker onder de waterbodem door lopen; een KLIC-melding en een proefsleuf voorkomen schade bij het inbrengen van palen.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Polder Bleiswijk heeft een eigen peilbesluit van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, met de Rottemeren en de Bleiswijkse Zoom als open water aan de oostkant. De onderkant van een brugdek wordt afgestemd op de hoogste waterstand die in de watergang kan voorkomen, plus de doorvaarthoogte die het waterschap of de vaarwegbeheerder verlangt. Landhoofden en pijlers versmallen het doorstroomprofiel van een watergang, waardoor het waterschap een brug toetst op de hoeveelheid water die er nog langs kan. De overgang van dek naar oever is de plek waar het hoogteverschil zichtbaar wordt: het dek ligt op fundering stil terwijl de natte, slappe oever eromheen doorzakt.