Het werk in Woubrugge begint bij de bodem, en die is hier overwegend veengrond. Woubrugge staat op veen in de Oudendijkse polder, zo slap dat zelfs de Dorpskerk in 2014 nieuwe funderingspalen nodig had omdat de oude houten palen waren weggerot. Voor grondwerk betekent dat consequent ontwateren, zandfundering in dunne lagen verdicht aanbrengen en zwaardere constructies nooit rechtstreeks op het veen zetten.
Een gesloten verharding houdt de veenbodem eronder in de zomer vochtig, en na onttegelen en beplanten verdampt er meer, waardoor de bovenlaag in een droge zomer verder uitdroogt dan voorheen. Een border met aangevoerde tuinaarde lijkt lichter dan de verwijderde tegelopbouw, maar per vierkante meter scheelt dat minder dan verwacht; de winst zit in de dikte van het nieuwe pakket. Regenwater dat na het onttegelen in een tuin in Woubrugge infiltreert, zakt in veen langzaam weg, zodat een verlaagde border of een greppel het water eerst tijdelijk moet kunnen bergen. Een afgekoppelde regenpijp levert bij een piekbui in korte tijd een fors debiet op één punt, dat op veen over een breed vlak wordt verspreid omdat de dichte ondergrond het niet puntsgewijs verwerkt.
Naast de bodem telt het water mee. Het dorp ligt aan weerszijden van de Woudwetering, boezemwater dat in open verbinding staat met de Braassemermeer en de Wijde Aa, met daaromheen de laaggelegen Oudendijkse polder en Vierambachtspolder. Het oude zandbed onder een opgenomen terras zit in natte grond meestal vol slib en wortels, waardoor hergebruik binnen het werk afhangt van de kwaliteit die een keuring aantoont. Oudere tuinen op nat terrein bestaan vaak uit een lappendeken van ophogingen; inmeten ten opzichte van de waterlijn geeft meer houvast dan de bestaande hoogtes als uitgangspunt nemen. Een bestaande boom heeft zijn wortels afgestemd op de huidige waterstand en verliest wortelmassa zodra nieuw werk die stand verlaagt, waardoor wijzigingen in de ontwatering rond oude bomen beperkt blijven.