Het werk in Uithoorn begint bij de bodem, en die is hier overwegend veengrond. De bodem van Uithoorn bestaat voor ongeveer de helft uit veen: langs de Amstel en in de oude linten zit een slap veenpakket, terwijl de drooggemalen Legmeerpolder juist zavel en klei onder het maaiveld heeft. Dat verschil bepaalt de aanpak — op het veen is zetting het hoofdrisico, in de droogmakerij eerder kwel en een hoge grondwaterstand, dus peilen we per perceel voordat cunetdiepte en drainage vastliggen.
Veengrond levert weinig kalium en kan bij een lage pH tekorten aan koper of mangaan geven; een bodemanalyse maakt dat zichtbaar voordat de beplanting er schade van ondervindt. Palen van een hekwerk of pergola komen in veen na jaren scheef te staan doordat de grond eromheen ongelijk zakt; rechtzetten houdt alleen stand als de paal in een vastere laag reikt. Kalk werkt op een veenbodem trager door dan op zand, doordat het hoge gehalte organische stof veel zuur kan bufferen en de zuurgraad zich daardoor over meerdere seizoenen verplaatst. Gazon op veen vermost sneller door de lage pH en de natte bovenlaag; verticuteren haalt de viltlaag weg, maar zonder aanpassing van de bodem komt het mos terug. Bomen op een slappe ondergrond zijn gebaat bij een regelmatige, lichte kroonsnoei die het windvangend oppervlak beperkt, omdat de ondergrond zelf weinig weerstand biedt tegen kantelen.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Uithoorn ligt ingeklemd tussen de Amstel, de Drecht en het Zijdelmeer, met daarachter de veel lager gelegen droogmakerij van de Legmeerpolder.