In Rotterdam is opgehoogde stedelijke grond de bepalende factor onder elke vierkante meter die wij aanpakken. Onder de zandophoging zit een slap pakket veen en klei; de bodem daalt gemiddeld zo'n 3,5 mm per jaar en op sommige plekken meer dan een centimeter. Gebouwen staan op palen en zakken niet mee, dus leg tuinen, terrassen en opritten herstelbaar aan — verharding in zand in plaats van beton hard tegen de gevel — en houd bij grondwerk rekening met houten paalfunderingen die droogstand niet verdragen.
De cunetdiepte volgt hier uit wat er wordt aangetroffen en niet uit een standaardmaat; binnen een perceel kan de draagkrachtige laag tientallen centimeters in diepte verspringen. Historisch ophoogmateriaal in de oudere delen van Rotterdam kan sintels, koolas of asbesthoudend sloopafval bevatten; het vooronderzoek naar het vroegere gebruik bepaalt of er voor het graven aanvullend bodemonderzoek nodig is. Zand dat bij de ontgraving vrijkomt is vaak op het eigen terrein herbruikbaar als aanvulling; dat scheelt transportbewegingen en houdt de grondbalans van het werk gesloten, mits de kwaliteit dat toelaat. Grond met meer dan twintig volumeprocent bodemvreemd materiaal telt niet langer als grond, en dat bepaalt onder het Besluit bodemkwaliteit of vrijkomend ophoogmateriaal herbruikbaar is of als bouwstof moet worden afgevoerd.
Daar komt de waterstand bij. De Nieuwe Maas is getijdenwater, terwijl de wijken erachter via singels en boezem op gemalen afwateren en de stad haar wateropgave expliciet koppelt aan bodemdaling en piekbuien. Vorstvrije diepte en grondwaterstand vallen hier niet samen: een fundering wordt op de vorstdiepte gedimensioneerd terwijl de ontwatering op de hoogste winterstand wordt afgestemd. Een tijdelijke verlaging van de grondwaterstand werkt verder dan de put zelf: de verlagingstrechter reikt de omgeving in en kan beplanting en belendingen op enige afstand raken.