Wie in Capelle aan den IJssel de schop in de grond zet, komt vooral opgehoogde stedelijke grond tegen. De naoorlogse wijken zijn met dikke zandpakketten opgehoogd boven de slappe ondergrond van de Prins Alexanderpolder. Dat zand draagt goed, maar de onderliggende veen- en kleilaag blijft zetten: verhardingen zakken zichtbaar weg van op palen gefundeerde gevels, dus plan opsluitbanden, drempels en terrasaansluitingen op dat groeiende hoogteverschil.
Grond met meer dan twintig volumeprocent bodemvreemd materiaal telt niet langer als grond, en dat bepaalt onder het Besluit bodemkwaliteit of vrijkomend ophoogmateriaal herbruikbaar is of als bouwstof moet worden afgevoerd. Aanvullen gebeurt in lagen van beperkte dikte met een trilplaat of wals per laag, omdat een in een keer gestort zandpak onderin los blijft en pas jaren later inzakt. Historisch ophoogmateriaal in de oudere delen van Capelle aan den IJssel kan sintels, koolas of asbesthoudend sloopafval bevatten; het vooronderzoek naar het vroegere gebruik bepaalt of er voor het graven aanvullend bodemonderzoek nodig is. Tussen een nieuwe zandaanvulling en een onderliggende puinlaag brengen wij scheidingsdoek aan, anders verdwijnt het fijne zand geleidelijk in het grove materiaal en verliest de aanvulling dikte.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. De Hollandsche IJssel vormt de zuidgrens en wordt sinds 1958 beschermd door de stormvloedkering bij de Algerabrug, terwijl de wijken zelf via een uitgebreid singelstelsel op de polderbemaling afwateren. Vorstvrije diepte en grondwaterstand vallen hier niet samen: een fundering wordt op de vorstdiepte gedimensioneerd terwijl de ontwatering op de hoogste winterstand wordt afgestemd. Bemaling is bij dit soort standen meestal niet nodig, al kan een diepe leidingsleuf of een funderingsput in een natte periode alsnog om een pomp vragen.