De ondergrond in Nieuwerkerk aan den IJssel bestaat overwegend uit kleigrond, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. De Zuidplaspolder en de Prins Alexanderpolder zijn droogmakerijen waar het veen is afgegraven, zodat er zware, slecht doorlatende klei aan de oppervlakte ligt tot ruim zes meter onder NAP. Die klei draagt redelijk maar watert traag af: reken op drainage onder het cunet en een dikkere zandfundering, en houd rekening met resterende veenlenzen die alsnog ongelijke zetting geven.
Wilg, els en es gedijen in de vochtige, voedselrijke omstandigheden van kleigrond, terwijl mediterrane vaste planten er in de winter wegrotten door zuurstofgebrek in de wortelzone. Planten gebeurt bij voorkeur wanneer de klei niet verzadigd is, omdat lopen en aandrukken op natte grond de poriën rond de net gezette kluit volledig dichtdrukt. Een plantgat in dichte klei werkt als een badkuip zodra het met losse grond wordt gevuld: regenwater verzamelt zich in de kuil en de wortels komen onder water te staan. De wanden van een plantgat in klei worden ruw gemaakt, want een met de bak gladgeschoven wand versmeert tot een dichte huid waar wortels langs groeien in plaats van doorheen. Haagbeuk verdraagt zware, natte kleigrond beter dan beuk, wat bij hagen op klei rond Nieuwerkerk aan den IJssel het verschil maakt tussen een gesloten haag en jaarlijkse uitval op de natste plekken.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Het hele gebied wordt kunstmatig bemalen en watert via tochten en gemalen af op de Hollandsche IJssel; aan de Derde Tochtweg ligt met 6,76 meter onder NAP het officiële laagste punt van Nederland. Bomen worden op natte percelen op een licht verhoogde plantplaats gezet, zodat de wortelhals boven de winterstand blijft en de kluit niet maandenlang onder water hangt. Beplanting vlak langs de waterkant staat met de voet in de capillaire zone en groeit daardoor weelderig, maar wortels die de beschoeiing bereiken, kunnen de naden tussen de planken openduwen. De bewortelbare diepte reikt tot waar het water staat; bij een stand van een halve meter blijft er een dunne zuurstofrijke laag over waarin de wortels het hele jaar moeten kunnen ademen.