De ondergrond in Capelle aan den IJssel bestaat overwegend uit opgehoogde stedelijke grond, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. De naoorlogse wijken zijn met dikke zandpakketten opgehoogd boven de slappe ondergrond van de Prins Alexanderpolder. Dat zand draagt goed, maar de onderliggende veen- en kleilaag blijft zetten: verhardingen zakken zichtbaar weg van op palen gefundeerde gevels, dus plan opsluitbanden, drempels en terrasaansluitingen op dat groeiende hoogteverschil.
Voor een haag graven wij een doorlopende plantsleuf in plaats van losse gaten, omdat de bodemopbouw per meter verschilt en losse gaten een ongelijk groeibeeld over de haaglengte geven. Een schrale, kalkrijke en snel opdrogende toplaag is niet voor elke plant ongunstig: droogte- en kalkverdragende vaste planten doen het er beter dan soorten die om een vochtige, humusrijke bodem vragen. Wortels volgen in puinhoudend materiaal de holtes en groeien daardoor eenzijdig uit; een boom raakt zo scheef verankerd, wat de eerste jaren om extra ondersteuning vraagt. Voor het planten van een boom zetten wij het gat eerst vol water en meten hoe snel het wegloopt; die eenvoudige proef laat zien of de laag eronder water doorlaat.
Naast de bodem telt het water mee. De Hollandsche IJssel vormt de zuidgrens en wordt sinds 1958 beschermd door de stormvloedkering bij de Algerabrug, terwijl de wijken zelf via een uitgebreid singelstelsel op de polderbemaling afwateren. Een plantgat hoeft hier niet verhoogd te worden aangelegd, mits de bodem van het gat ook in een natte winter niet onder water komt te staan. Bij een sterk wisselende stand groeien wortels in het natte seizoen niet dieper dan het water toelaat, waarna diezelfde wortels in een droge zomer boven de zakkende waterspiegel komen te hangen. Een middelhoge grondwaterstand biedt de meeste tuinplanten precies wat ze nodig hebben: vocht op diepte om naartoe te wortelen en een luchtige toplaag om in te ademen.