Wie in Koudekerk aan den Rijn de schop in de grond zet, komt vooral rivierklei tegen. De dorpskern ligt op de stroomrug van de Oude Rijn, waar rivierklei op zand een relatief stabiele en goed draagkrachtige ondergrond geeft. Dieper het polderland in gaat dat binnen enkele honderden meters over in slap veen, dus juist op die overgang moet het cunet dieper en moet er met verschilzetting tussen oprit, terras en gevel rekening worden gehouden.
Egaliseren lukt alleen als de kluiten breken; zware klei die nat wordt uitgevlakt trekt bij droging weer scheef en houdt de oneffenheden juist vast. Natte klei weegt per kubieke meter fors meer dan zand, waardoor het aantal transporten en het laadgewicht van de container anders uitvallen dan bij een zandig werk. Teelaarde en ondergrond worden bij het ontgraven gescheiden opgeslagen; komklei die door de bovenlaag gemengd raakt maakt de tuinbodem jarenlang zwaarder dan hij was. Restzetting na een ophoging op klei speelt zich over maanden af; hoogtemetingen na de eerste winter laten zien of het maaiveld al voldoende tot rust is gekomen. Vóór elke machinale graafhandeling gaat er een KLIC-melding uit onder de WIBON, omdat de ligging op tekening en de werkelijkheid op eerder vergraven kleigrond regelmatig uiteenlopen.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. Het dorp ligt aan de boezem van de Oude Rijn, met daarachter de Hondsdijkse en Lagewaardse polder die van oudsher door poldermolens werden bemalen. Ophogen is bij een hoge grondwaterstand vaak de enige manier om droge voeten te krijgen, maar het extra gewicht drukt de slappe ondergrond samen en vraagt vooraf een inschatting van de te verwachten zetting. Een proefsleuf in de polders bij Koudekerk aan den Rijn staat na het openen binnen enkele minuten onder water, waardoor kabels en leidingen na de KLIC-melding op de tast worden gezocht in plaats van op zicht.