Onder Den Haag ligt hoofdzakelijk zandgrond; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. De stad is gebouwd op een reeks oude strandwallen en duinzand, wat in het Centrum, Scheveningen en Segbroek een stabiele en goed doorlatende ondergrond oplevert waar verharding weinig nazakt. In de lager gelegen polderstadsdelen Laak, Escamp en Leidschenveen zit onder de zandophoging nog klei en veen; daar staan de woningen op palen terwijl tuinen en terrassen meezakken, wat rond de gevel jaarlijks enkele millimeters hoogteverschil oplevert.
De humeuze bovenlaag wordt bij egaliseren apart gezet, omdat juist die dunne laag op zandgrond vrijwel alle organische stof bevat en machinaal doormengen haar onherstelbaar verdunt. Vrijkomend zand is vaak opnieuw toepasbaar als aanvulling, mits de kwaliteit volgens het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld en de partij niet met puin of leem vermengd is geraakt. Een sondering laat op het dekzand onder Den Haag doorgaans conusweerstanden van enkele tot ruim tien megapascal zien, waarmee lichte constructies op staal gefundeerd kunnen worden zonder paalwerk. Voorbelasten met overhoogte levert op zandgrond weinig op, omdat er geen samendrukbaar organisch materiaal aanwezig is waaruit water en lucht onder gewicht en tijd geperst moeten worden. Een ontgraving in droog zand houdt geen verticale wand: de sleufwand vloeit onder zijn eigen gewicht in en moet worden afgeschuind of met een sleufbekisting gestut.
Naast de bodem telt het water mee. De duinenrij en de strandwallen wateren vanzelf af, maar het overtollige water uit de lager gelegen stadsdelen wordt via boezemwateren als de Haagse Beek, het Verversingskanaal en de Laakhaven naar zee gemalen. Het uitvoeringsseizoen weegt hier zwaarder dan de techniek: hetzelfde grondwerk verloopt in een droge periode sneller en met minder structuurschade dan na een week regen. De gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand liggen hier ver uit elkaar, waardoor een sleuf die in augustus droog blijft in februari op dezelfde plek onder water staat. Een cunet mag hier dieper worden aangelegd dan op percelen met water vlak onder het maaiveld, wat ruimte geeft voor een volwaardige funderingsopbouw onder een oprit.