In Capelle aan den IJssel is opgehoogde stedelijke grond de bepalende factor onder elke vierkante meter die wij aanpakken. De naoorlogse wijken zijn met dikke zandpakketten opgehoogd boven de slappe ondergrond van de Prins Alexanderpolder. Dat zand draagt goed, maar de onderliggende veen- en kleilaag blijft zetten: verhardingen zakken zichtbaar weg van op palen gefundeerde gevels, dus plan opsluitbanden, drempels en terrasaansluitingen op dat groeiende hoogteverschil.
Bomen die jarenlang tussen verharding stonden hebben hun wortels in de fundering zitten; het opbreken gebeurt rondom die bomen met de hand om het wortelgestel te sparen. Onder oude verharding in Schenkel liggen leidingen vaak ondieper dan de huidige eisen voorschrijven en soms buiten de bekende tracés, wat terughoudendheid met zware machines vraagt. Een regenpijp afkoppelen is op doorlatend ophoogmateriaal aantrekkelijk, maar het water zoekt de weg van de minste weerstand; houd daarom afstand tot de gevel en tot een kelder. Voordat een verzakt terras definitief wordt hersteld, is het zinvol te weten of de zetting nog doorloopt; enkele hoogtemetingen verspreid over een aantal maanden geven daar uitsluitsel over. Ophogen belast bij een renovatie opnieuw een ondergrond die toch al zakt; waar het kan lossen wij hoogteverschillen daarom op door af te graven en te herprofileren.
De waterhuishouding weegt hier net zo zwaar als de grondsoort. De Hollandsche IJssel vormt de zuidgrens en wordt sinds 1958 beschermd door de stormvloedkering bij de Algerabrug, terwijl de wijken zelf via een uitgebreid singelstelsel op de polderbemaling afwateren. Een verzakt keermuurtje of een oude tuinbeschoeiing bezwijkt vaak door water dat erachter blijft staan, zodat herstel begint bij de afvoer achter de wand en niet bij de wand zelf. Verharding die bij een renovatie wordt uitgebreid, verplaatst neerslag van de bodem naar de afvoer; een deel van dat water elders in de tuin bergen houdt de balans overeind.