De ondergrond in Warmond bestaat overwegend uit zandgrond, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. De dorpskern van Warmond ligt op een smalle strandwal langs de Leede en is daar zandig en goed draagkrachtig, maar direct naast het lint beginnen de veenpolders van onder meer de Zwanburgerpolder en de Veerpolder. In dat veen is de draagkracht laag en zakt bestrating merkbaar na, waardoor een dieper cunet met geotextiel of een lichte, zettingsvolgende opbouw nodig is.
Een natuurvriendelijke oever in Teylingen vraagt op zand onder water een flauw talud van ongeveer een op vijf of flauwer, omdat een steilere zandhelling door golfslag vanzelf naar dat profiel afvlakt. Golfslag van wind en vaarverkeer maakt van een onbeschermde zandoever binnen een seizoen een steile afkalfrand; een brede begroeide ondiepte breekt die energie voordat ze de kant bereikt. Het omzetten van een steile oever naar een flauw talud kost ruimte in de breedte: bij een helling van een op vijf schuift de waterlijn per meter hoogteverschil vijf meter het perceel in. Een zandige oever heeft geen beschoeiing nodig zolang het talud flauw genoeg is en dicht begroeid raakt, omdat de vegetatie de kerende functie overneemt die anders van hout of staal komt.
Naast de bodem telt het water mee. Warmond ligt aan de Kagerplassen en bestaat voor bijna een derde uit water, met boezempeil in de plassen en fors lagere polderpeilen in de omliggende veenpolders. Afkalving begint doorgaans op de plek waar de grasmat het water raakt: de zode wordt daar ondergraven en het overhangende deel zakt later in het water. De schouw van het waterschap toetst of de watergang op de voorgeschreven diepte en breedte is; een oever die naar binnen is gezakt, komt daarbij als achterstallig onderhoud naar voren. Riet, gele lis en zwanenbloem houden met hun wortelstokken de bovenste laag van het talud bijeen, mits ze op de juiste diepte ten opzichte van het peil worden gepoot.