In Rijnsaterwoude is veengrond de bepalende factor onder elke vierkante meter die wij aanpakken. Het dorpslint staat op restveen van de middeleeuwse ontginning, terwijl de aangrenzende Vierambachtspolder na vervening tot meters onder NAP is drooggemalen. Op dat restveen is de draagkracht laag, waardoor voorbelasting en een royale zandbaan onder klinkers, grind of een oprit noodzakelijk zijn.
Menggranulaat 0/31,5 geeft een stijve en goed verdichtbare fundering, maar het materiaal is zwaar; op veen blijft de laagdikte daarom beperkt en ligt er altijd doek onder. Waar de zakking beperkt moet blijven, vervangt een lichtgewicht funderingsmateriaal zoals schuimbeton een deel van het ophoogzand, zodat de belasting op het veenpakket afneemt in plaats van toeneemt. Aanvoer van zand en stenen over een veentuin vraagt rijplaten; zonder drukverdeling drukken de wielen van kipper en kraan sporen die later als zwakke plek onder de nieuwe verharding terugkomen. Een pakket ophoogzand van dertig centimeter brengt al snel vierhonderd tot vijfhonderd kilo per vierkante meter op het veen, en die belasting blijft aanwezig zolang de verharding blijft liggen. Zonder scheidingsdoek werkt het zand zich onder verkeersbelasting geleidelijk in het veen en het veen in het zand; de fundering verliest daardoor dikte en de verharding zakt met het jaar verder weg.
Daar komt de waterstand bij. Het dorp ligt aan de oostoever van de Braassemermeer met de Leidse Vaart dwars door de kern en diep drooggemalen polders direct ten zuiden daarvan. Waar het maaiveld te laag ligt om droog te bestraten, biedt een vlonder of een terras op poeren uitkomst zonder dat er een dik en zwaar zandpakket op de natte ondergrond komt. Afschot richting een berm of watergang doet hier het werk dat infiltratie niet kan doen, waarbij het uitstroompunt boven het peil van die watergang moet blijven liggen.