Elke opdracht in Nootdorp start met de vraag wat kleigrond op dit perceel toelaat. Rond Nootdorp is het veen vanaf de zestiende eeuw weggebaggerd en zijn de ontstane plassen in de achttiende en negentiende eeuw drooggemalen, waardoor de oude zeeklei onder het veen weer aan het maaiveld kwam. Die droogmakerijklei draagt redelijk, maar ligt laag: reken op water in de cunetsleuf en leg drainage aan onder terrassen en opritten voordat je gaat straten.
Planten gebeurt bij voorkeur wanneer de klei niet verzadigd is, omdat lopen en aandrukken op natte grond de poriën rond de net gezette kluit volledig dichtdrukt. Wortelruimte onder verharding wordt op klei opgebouwd met bomenzand of boomgranulaat, aangevuld met beluchting en een afvoer, omdat de omringende klei het overtollige water niet wegneemt. Bomen op klei maken een breed en ondiep wortelstelsel doordat de diepere lagen te weinig lucht bevatten, waardoor een jonge boom langer verankerd moet blijven staan. Haagbeuk verdraagt zware, natte kleigrond beter dan beuk, wat bij hagen op klei rond Nootdorp het verschil maakt tussen een gesloten haag en jaarlijkse uitval op de natste plekken.
Daar komt de waterstand bij. De drooggemaakte veenpolders rond Nootdorp liggen onder NAP en worden permanent bemalen, met een dicht slotennet en de recreatieplas de Dobbeplas aan de dorpsrand. Ondiep wortelende bomen zoeken de zuurstofrijke toplaag op, waardoor dikke wortels vlak onder een pad of terras komen te liggen en de verharding op termijn omhoog drukken. In een verzadigde bodem verloopt de stikstofkringloop anders: bij zuurstofgebrek gaat nitraat als gas verloren, waardoor beplanting op natte grond eerder een tekort dan een overschot laat zien.