Onder Monster ligt hoofdzakelijk duinzand; dat gegeven staat aan het begin van elke berekening. De kern van Monster ligt op de strandwal pal achter de duinen, dus op kalkhoudend duinzand dat goed draagt en water snel doorlaat; zetting speelt hier nauwelijks. De aandacht verschuift daardoor naar droogte en uitspoeling bij beplanting, en naar de veel zwaardere zeeklei zodra je oostwaarts het kassengebied in werkt, waar wel een stevig cunet nodig is.
Voedingsstoffen spoelen door het doorlatende profiel snel uit; kleine giften verdeeld over het seizoen houden hier meer effect dan één zware bemesting in het voorjaar. Een plantgat graaft in zand makkelijk, maar moet ruim worden uitgehaald en met verbeterde grond aangevuld; anders staat de kluit in een kuil zonder enige vochtbuffer. Jonge aanplant op zand krijgt beter minder vaak en dieper water dan dagelijks een scheutje, zodat de wortels de diepte in gaan in plaats van in de toplaag te blijven hangen. Duindoorn, rimpelroos en olijfwilg verdragen zowel zoutspray als schraal zand en houden het daarom uit in de naar zee gekeerde buitenrand van een tuin in Westland.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Door de duinstrook en de zandige ondergrond is de slotendichtheid laag en zakt regenwater snel weg; pas landinwaarts, richting de Gantel en de Vlotwetering, begint het echte polderwatersysteem. Droogteminnende soorten met grijs of behaard blad, een dikke waslaag of een diep gaand wortelstelsel redden het hier zonder blijvende beregening. Najaarsplanting benut de winterneerslag, waardoor de kluit maanden de tijd krijgt om in te wortelen voordat de eerste droge periode aanbreekt. Het grondwater ligt buiten het bereik van vrijwel alle wortels, waardoor beplanting volledig afhankelijk is van de regen die de bodem tijdelijk kan vasthouden.