De ondergrond in Mijdrecht bestaat overwegend uit veen op klei, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. Mijdrecht ligt in de diepe droogmakerij Groot-Mijdrecht, ongeveer zes meter onder NAP, met veen in het oostelijk deel en klei in het westelijk deel en een maaiveld dat de afgelopen decennia gemiddeld zo'n 0,8 cm per jaar zakte. Grondwerk moet daarom rekening houden met een hoge grondwaterstand en sterke kwel: een ruim cunet, drainage die op het polderpeil is afgestemd, en bij zwaardere verharding voorbelasten of funderen op palen.
Een damwand hoort ruim voorbij het slappe veenpakket tot in de vastere klei te worden gedreven, want de horizontale steun die veen levert is verwaarloosbaar. Intrillen van stalen planken plant zich in slappe lagen ver voort, dus in de buurt van bebouwing is drukken of werken met beperkt vermogen de veiliger methode. Kunststof planken zijn licht en laten zich in veen eenvoudig indrukken, maar bij een grotere keringshoogte is de buigstijfheid van staal of een zwaardere houtdikte nodig. De grondwaterstand achter een beschoeiing staat vrijwel altijd hoger dan het slootpeil, en dat verschil drukt permanent tegen de kering aan. Hout onder de permanente waterlijn blijft in zuurstofarme omstandigheden lang goed, terwijl de strook rond de wisselende waterstand het snelst slijt en de praktische levensduur bepaalt. De gording verdeelt de trekkracht over de planken, en een te licht gedimensioneerde gording trekt onder hoge gronddruk krom waarna de kering bol gaat staan.
Naast de bodem telt het water mee. De boezemrivier de Kromme Mijdrecht ligt door de bodemdaling inmiddels ruim anderhalve meter hoger dan de omliggende polders, die daardoor met gemalen moeten worden leeggepompt en bovendien zoute kwel te verwerken krijgen. De plank moet ver genoeg onder de waterbodem doorlopen om passieve weerstand te vinden; in een slappe, verzadigde bodem is die inbrengdiepte aanzienlijk groter dan de zichtbare hoogte boven het water. Plaatsen of vervangen van een beschoeiing langs een watergang van het waterschap valt onder de waterschapsverordening, terwijl de legger vastlegt waar de waterlijn en het profiel van die watergang liggen. Een vast peil houdt de wisselzone van een houten beschoeiing smal, waardoor de aantasting zich concentreert op een strook van enkele centimeters in plaats van over de hele planklengte.