Elke opdracht in Leiderdorp start met de vraag wat rivierklei op dit perceel toelaat. Langs de Oude Rijn ligt een oeverwal van rivierklei die redelijk draagkrachtig is, terwijl de naoorlogse wijken erachter op veen onder een opgespoten zandlaag staan. Klei is slecht doorlatend, dus onder terras en oprit hoort een drainerende cunetlaag, en in de polderwijken moet rekening worden gehouden met restzetting.
Bomen op klei wortelen ondiep omdat de diepere lagen te weinig lucht bevatten, wat vlak onder de bestrating tot wortelopdruk leidt; bomenzand of een wortelgeleider houdt het vlak. Voor een oprit met autobelasting wordt op klei doorgaans een laag menggranulaat 0/31,5 aangebracht, in lagen van ongeveer 25 centimeter verdicht zodat de fundering niet later nazakt. Waterdoorlatende klinkers laten op rivierklei minder water door dan de steen zelf aankan, omdat de ondergrond het tempo bepaalt; een bergende funderingslaag met overloop is dan nodig. Een zandcunet in klei gedraagt zich als een badkuip: het water dat erin zakt kan nergens heen, dus hoort er een afvoer of drainageleiding naar de sloot of het riool aan vast.
Daar komt de waterstand bij. Leiderdorp ligt tussen de Oude Rijn, de Zijl en het riviertje de Does, met de laaggelegen Munnikenpolder en polder Achthoven als open, waterrijk buitengebied. Een terras op het noorden droogt na een bui traag op en krijgt toch groene aanslag; dat komt door beschaduwing en niet door de stand van het grondwater. De hoogte van het straatwerk volgt bij deze standen uit de dorpel en het maaiveld en niet uit de waterlijn, waardoor er meer speelruimte in het hoogteplan zit dan in een natte polder.