Het werk in Zoeterwoude begint bij de bodem, en die is hier overwegend veen op klei. Onder de Zoeterwoudse weidepolders ligt een veenpakket op een oudere kleilaag: het veen klinkt in en oxideert, terwijl de klei eronder vrij stabiel blijft. Rond woningen die op palen staan levert dat een zettingsverschil op, zodat terras en oprit los van de gevel moeten worden gehouden en het cunet ruim bemeten hoort te zijn.
Onder een veenpakket kan pyriethoudende klei liggen; komt die bij ontgraving in de lucht te liggen, dan kan de zuurgraad sterk dalen en is hergebruik in plantvakken ongeschikt. Een cunet dat tot onder de grondwaterstand wordt gegraven loopt vol, en bemaling in veenpolders raakt ook de omgeving, waarvoor het waterschap in Zoeterwoude een melding of vergunning verlangt. Grond die het werk verlaat valt onder het Besluit bodemkwaliteit en heeft een milieuhygiënische verklaring nodig voordat die elders mag worden toegepast. Ontgraven veen bestaat grotendeels uit water en klinkt in het depot in, waardoor het afgevoerde volume lager uitvalt dan het aantal ontgraven kuub.
Naast de bodem telt het water mee. De veenweidepolders rond Zoeterwoude worden dicht doorsneden door sloten en weteringen, met polderpeilen die ruim onder het boezempeil van de Oude Rijn liggen. Grondwater dat in een ontgravingstalud uittreedt, neemt korrels mee en ondergraaft de helling van onderaf, waardoor een flauwer profiel of een tijdelijke kering nodig is. Natte grond weegt fors meer dan dezelfde grond in droge toestand, wat het aantal transportbewegingen vergroot bij afvoer van vrijkomende grond onder het Besluit bodemkwaliteit. Elke ontgraving die onder de grondwaterstand komt, loopt vol; het werk wordt daarom in korte vakken uitgevoerd of tijdelijk bemalen, waarbij die onttrekking bij het waterschap gemeld of vergund moet worden.