Het werk in Vinkeveen begint bij de bodem, en die is hier overwegend veengrond. Rond de plassen is de bodem uitgeveend en plaatselijk teruggevuld met slappe bagger- en veenlagen, waardoor de draagkracht zeer laag is en ophogen in dunne lagen met tussentijdse zettingstijd noodzakelijk is. Werken vlak langs legakkers en oevers vraagt licht materieel en vaak rijplaten of beschoeiing om wegdrukken van de oever te voorkomen.
Veen laat zich niet verdichten zoals zand: walsen kneedt de vezelstructuur kapot en verlaagt de draagkracht in plaats van die te verhogen. In veenpakketten met tussenliggende kleilagen versnelt verticale drainage het afvoeren van poriewater, al loopt de langzame kruipzetting van het veen zelf daarna gewoon door. Materieel op rupsen met een lage gronddruk richt op veen minder schade aan dan een machine op banden, en rijplaten verdelen het resterende gewicht over een groter oppervlak. De conusweerstand van veen blijft in de orde van enkele tienden van een megapascal, waardoor de ondergrond het gewicht van materieel en ophoging maar beperkt kan opnemen.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. De Vinkeveense Plassen (Noordplas, Zuidplas en Kleine Plas) en het omliggende petgatenlandschap maken het gebied uitzonderlijk waterrijk, met percelen die vaak aan meerdere zijden aan water grenzen. Grondwater dat in een ontgravingstalud uittreedt, neemt korrels mee en ondergraaft de helling van onderaf, waardoor een flauwer profiel of een tijdelijke kering nodig is. Een diepe ontgraving boven een watervoerend zandpakket kan van onderaf opbarsten zodra de waterdruk onder de afsluitende laag groter wordt dan het gewicht van de resterende grond erboven. Kwelwater in deze polders is vaak ijzerrijk en slaat als roodbruine aanslag neer in drains, filters en pompen, wat bij het ontwerp van een ontwateringssysteem meetelt.