Het werk in Nieuwveen begint bij de bodem, en die is hier overwegend veengrond. Onder Nieuwveen ligt een dik laagveenpakket met een lage draagkracht, waarbij graafwerk al op geringe diepte grondwater tegenkomt. Zware elementen en aanbouwen vragen daarom een fundering op palen of een drukverdelende plaat, terwijl tuinverhardingen bewust los van de gevel worden aangelegd zodat ze mee kunnen zakken zonder te scheuren.
Een borderophoging met tuinaarde drukt het onderliggende veen samen, zodat een border die bij aanleg tien centimeter boven het pad lag na enkele jaren gelijk of lager kan liggen. Een veentuin heeft geen vaste nulhoogte: het maaiveld van vandaag is het startpunt, terwijl de gefundeerde delen van huis en schuur het enige echt vaste referentiepunt op het perceel vormen. Een dun pakket halfverharding of een houten vlonder belast veen minder dan een gesloten zandbed met tegels, wat het verschil in zakking tussen de tuinonderdelen kleiner houdt. Een lichte berging kan op veen bewust meebewegend worden uitgevoerd op poeren of stelconplaten, zodat hij met de tuin mee zakt en scheluwte periodiek wordt bijgesteld in plaats van voorkomen. Een gazon op veen blijft in het voorjaar lang koud en nat doordat de bodem veel water vasthoudt en traag opwarmt, waardoor inzaaien later in het seizoen valt dan op zandgrond. Een laaggelegen natte hoek in een veentuin is beter te overbruggen met een vlonderpad op schroefpalen dan met ophogen, omdat ophogen de zakking juist verder aanjaagt.
Naast de bodem telt het water mee. Nieuwveen ligt in het veenweidegebied van het hoogheemraadschap van Rijnland, met een fijnmazig slotenpatroon rond de tuinbouw- en weidepercelen en polderpeilen die laag worden gehouden voor de landbouw. Een gazon houdt hier in een natte winter geen plassen vast, maar kan in een droge zomer wel verkleuren doordat het grondwater te weinig naar de graswortels naleveren kan. Beregening is hier geen vanzelfsprekendheid, al zakt het grondwater in een droge zomer buiten het bereik van jonge wortels; een watertappunt bij de aanleg meenemen scheelt later opnieuw openbreken. Lage plekken vullen zich in het winterhalfjaar als eerste; die plekken in kaart brengen voor de aanleg levert meer op dan ze naderhand ophogen.