De ondergrond in Naaldwijk bestaat overwegend uit zandgrond, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. De oude kern van Naaldwijk ligt op geestgrond: het zand van dezelfde strandwal waarop ook Monster en Loosduinen zijn ontstaan. Dat zand draagt goed en laat water snel door, maar in de negentiende eeuw is er rond Naaldwijk veel geest afgezand en per schuit naar de kleigronden gevaren, dus even buiten de kern stuit je alsnog op zware zeeklei en opgevaren grond; grondonderzoek vooraf bepaalt hier de cunet-diepte.
Verharding wegnemen levert een lager maaiveld op dan verwacht, doordat fundering en straatlaag samen al gauw dertig centimeter dik zijn; dat gat wordt met teelaarde gevuld en niet met ophoogzand. Gebakken klinkers uit een oude oprit zijn bij hergebruik opnieuw te straten, terwijl het straatzand eronder door insleuf en vervuiling doorgaans niet meer als straatlaag bruikbaar is. Herstel van een verzakking begint op zand met ontgraven tot onder de zwakke laag; alleen zand bijvullen onder de klinkers laat dezelfde plek binnen een jaar opnieuw zakken. Nieuwe verharding krijgt bij een renovatie bij voorkeur afschot naar het groen in plaats van naar de straat, wat op een infiltrerende zandbodem de neerslag ter plaatse houdt.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Naaldwijk ligt hoger op de geest, met daaromheen de bemalen Westlandse polders en het dichte slotenpatroon dat vanouds zowel afwatering als gietwater voor de tuinbouw verzorgde. Drainage uit een eerdere aanleg ligt vaak nog in de grond en functioneert soms nog gedeeltelijk, zodat opsporen en doorspuiten voorafgaat aan het leggen van een nieuw stelsel. Een verzakte tuin herstellen begint met inmeten: pas als de hoogtes ten opzichte van dorpel, put en waterlijn bekend zijn, is duidelijk hoeveel er te verdelen valt. Voordat er iets aan de ontwatering verandert, is het zaak te weten waar het water vandaan komt, want een lekke regenpijp of een verstopte afvoer verklaart meer plassen dan de grondwaterstand.