De ondergrond in Moerkapelle bestaat overwegend uit veen op klei, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. De oude kern aan de Rottedijk ligt op restveen boven klei, terwijl de uitbreidingen en het kassengebied in de droogmakerij De Wilde Veenen liggen, meters lager en op kleibodem. Dat hoogteverschil is bij grondwerk bepalend: de aansluiting op het polderpeil, de ontwateringsdiepte en een cunet dat zijn water echt kwijt kan, wegen hier zwaarder dan de draagkracht zelf.
Een cunet dat tot onder de grondwaterstand wordt gegraven loopt vol, en bemaling in veenpolders raakt ook de omgeving, waarvoor het waterschap in Zuidplas een melding of vergunning verlangt. Egaliseren op veen is een momentopname, doordat het maaiveld ongelijkmatig verder daalt en het vlak dat u vandaag aflegt over jaren opnieuw doorgemeten moet worden. De conusweerstand in veen ligt zo laag dat een sondering vooral dient om vast te stellen op welke diepte de eerste werkelijk draagkrachtige laag begint. Ontgraven veen bestaat grotendeels uit water en klinkt in het depot in, waardoor het afgevoerde volume lager uitvalt dan het aantal ontgraven kuub.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Het overtollige water van polder De Wilde Veenen wordt, net als dat van de Tweemans- en Eendragtspolder, uitgeslagen op de Rotte. Boven een storende leem- of kleilaag kan zich een schijngrondwaterspiegel vormen, waardoor het water in een sleuf hoger staat dan de werkelijke grondwaterstand eronder. Het uitvoeringsseizoen weegt hier zwaarder dan de techniek: hetzelfde grondwerk verloopt in een droge periode sneller en met minder structuurschade dan na een week regen. Een tijdelijke verlaging van de grondwaterstand werkt verder dan de put zelf: de verlagingstrechter reikt de omgeving in en kan beplanting en belendingen op enige afstand raken.