Het werk in Berkel en Rodenrijs begint bij de bodem, en die is hier overwegend kleigrond. De droogmakerijen rond Berkel liggen op oude zeeklei die na de vervening weer aan de oppervlakte kwam, met plaatselijk een dunne restveen- of meermolmlaag erbovenop. Die klei draagt redelijk, maar op de restveenplekken blijft de grond zettingsgevoelig, dus een goed verdicht cunet van gebroken puin onder terras en oprit is hier geen luxe.
Maaien op verzadigde klei laat sporen na die het gras maanden kosten om te herstellen, waardoor het maaimoment in Berkel en Rodenrijs op zware grond meebeweegt met de neerslag. Vaste planten wortelen op klei vooral in de bovenlaag, waardoor scheuren en verplanten het beste gebeurt op een moment dat de grond vochtig is maar niet plakkerig. Gazon op klei verdicht onder belasting: plassen na regen, mosvorming en viltophoping wijzen op zuurstofgebrek in de zode en vragen om prikken of doorluchten. Bezanden met scherp zand na het beluchten verbetert op termijn de bovenste centimeters van een kleigazon, mits het zand in de gaten wordt ingewerkt en niet als laag blijft liggen.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Het water van de Noord-, West- en Zuidpolder wordt uitgeslagen op de binnenboezem van de Noordeindse Vaart, Rodenrijse Vaart en Bovenvaart, met de Bergboezem Berkel als extra berging bij hevige regen.