De ondergrond in Aalsmeer bestaat overwegend uit veengrond, en dat bepaalt hoe het werk hier wordt opgebouwd. Aalsmeer ligt op ontgonnen veen langs de Westeinder, een bodem met lage draagkracht die blijft inklinken zodra hij ontwatert. Bestrating en tuinaanleg zakken hier zonder maatregelen binnen enkele jaren zichtbaar na, dus werken we met een ruim zandcunet op geotextiel, lichte overhoogte en een verharding die los blijft van de gefundeerde woning.
De helling van een natuurvriendelijke oever kan deels onder water worden uitgevoerd, waardoor het talud in het natte profiel ligt en er boven water minder perceelbreedte verloren gaat. Mensen en honden die telkens op dezelfde plek de kant op en af gaan, slijten in een veentalud snel een geul; een aangewezen instap of een vlonder houdt de rest van de oever intact. Het weghalen van een oude beschoeiing legt bij een veenoever een steile onbeschermde rand bloot, die in dezelfde werkgang wordt afgevlakt en tijdelijk vastgelegd tot de begroeiing het overneemt. Losgeslagen veenbrokken blijven drijven en verzamelen zich benedenstrooms bij een duiker of een hek, waar zij de doorstroming beperken en bij een hoge afvoer voor opstuwing zorgen.
Wat de bodem niet bepaalt, bepaalt het water. Ruim een derde van het grondgebied van Aalsmeer bestaat uit water, vooral de Westeinderplassen, waardoor boezem, sloten en open water het hele dorp doorsnijden. Een natuurvriendelijke oever met een flauw talud vraagt breedte: het profiel loopt onder water door, zodat zo'n oever meer perceelruimte kost dan een verticale beschoeiing. De schouw van het waterschap toetst of de watergang op de voorgeschreven diepte en breedte is; een oever die naar binnen is gezakt, komt daarbij als achterstallig onderhoud naar voren. Afkalving begint doorgaans op de plek waar de grasmat het water raakt: de zode wordt daar ondergraven en het overhangende deel zakt later in het water.